HET MOOISTE AMSTERDAMSE WOORD:
Drijfsijssie wint, geinponum tweede
De eerste drie finalisten zijn bekend. Drijfsijssie won de ronde 'Lachen' met zeventien procent van de stemmen. Niet onverwacht, het woord werd ook tientallen malen genoemd toen we suggesties vroegen.
Geinponum volgde er pal achter met zestien procent. De strijd tussen gebbetje en Haarlemmerdijkie was bikkelhard, beide elf procent, gebbetje won, met acht stemmen verschil. Het arme zeilvinkie eindigde helemaal achteraan. De gleuvenrijder waar lezer Paul van Buuren getuige zijn website zo dol op was, heeft het dus evenmin gehaald. Die website vol newspeak is overigens zeer de moeite waard: paulvanbuuren.net
En ach, dat die bonjedempers nu moeten afvallen (zes procent), de democratie heeft niet louter voordelen, dat blijkt maar weer.
Tijd voor de volgende categorie: Handel en geld. We nemen de vijftien woorden weer even door. Te beginnen met gallemieze, aan de gallemieze liggen betekent blut zijn, maar heeft misschien nog wel een zwaardere lading. Astrid Ikelaar: 'Alle ellende die een mens mee kan maken zit in dit woord.' Voor M. van der Linden geeft het woord 'het gevoel dat het eeuwig jammer is en het niet zover had mogen komen.'
De habbekrats (ook wel habbekras) hebben we naar ons toegetrokken, hoewel een enkel jurylid twijfelde aan het Amsterdamse karakter ervan. Maar het woord klinkt zo lekker. Gelukkig schieten Enno Endt en Lieneke Frerichs ons hier weer te hulp. In hun Bargoens Woordenboek geven ze als mogelijk woordverklaring 'n halbe Karat', een halve karaat, oorspronkelijk in de mond van Duits-Jiddisch sprekende diamantslijpers. En waar woonden die Duits-Jiddisch sprekende diamantslijpers? Precies.
Jatmous (ook wel jatmoos) is het eerste geld dat de handelaar op een dag verdient, de traditie wil dat er op gespuugd wordt. De betekenis fooi is ook bekend. De term raakte in de jaren zestig en zeventig in de mode dankzij een bestseller van de taxichauffeur Harry Boting Wie geeft me jatmous, uiteraard daarna gevolgd door weer een deeltje Nog meer jatmous.
Een kaaljakker is een armoedzaaier, dalles is armoede (Endt wijst nog op de dallesdekker, een mooie jas om het armoeïge zooitje daaronder te verhullen) en merode is ook al armoe.
Ramsj is nog zeer gangbaar, vooral bij boeken. Verwezen wordt naar het Jiddische woord rammoes, bedrog.
Koefnoen is een prachtig woord, weer vaak gehoord dankzij dat geestige televisieprogramma van Paul Groot en Owen Schumacher. We hebben het hier een beetje binnengesmokkeld, het betekent vrijkaartje, koef alleen betekent gratis. Kof is de letter K in het Hebreeuws, Nun de letter N. K.N. staat voor 'kost niks.'
Tinnef komt ook al uit het Jiddisch en betekent rotzooi, slechte waar, in diezelfde betekenis is het ook tot het Duits doorgedrongen.
Mansen is het geld ophalen door straatmuzikanten, bij ons natuurlijk vooral orgeldraaiers, met de stoepier (spreek uit stoepjee) zijn we weer bij de aansmoezenier van vorige week. Iemand die buiten, op de stoep, klanten (kleding)zaken in probeert te lokken.
Over de 'Oostenrijker', een meevaller maar ook een vrijgevige figuur, meldt Dick Houweling: 'Mijn overleden vader gebruikte het dikwijls. Waar het vandaan komt weet ik niet. Ik meen dat een oude Parool-columnist (Nico Merx ?) de herkomst in de horeca plaatste. Een kastelein zou een 'Oostenrijker' hebben als er een buitenlander in de zaak was geweest die gemakkelijk te 'tillen' was.' Volgens Cees Brouwer was de Oostenrijker 'oorspronkelijk keizer Maximiliaan van Oostenrijk die uit dankbaarheid aan Amsterdam het recht verleende de keizerskroon in haar wapen te voeren. Ook siert deze kroon de Westertoren, die torent boven alles uit net zoals het mooiste Amsterdamse woord: Oostenrijker.'
Het joetje, de meier en de spie kennen we natuurlijk, een aantal van die oude geldtermen moesten erbij vonden we. Zijn er al nieuwe bijnamen voor het eurogeld?
PAUL ARNOLDUSSEN